Huurder veroordeeld tot betaling van € 20.000,- aan huurderving

De laatste tijd worden veel uitspraken gedaan over door verhuurders gevorderde Kim Jaspers v3contractueel overeengekomen boetes bij wanprestaties, zoals het niet hebben van hoofdverblijf in het gehuurde en het onbevoegd onderverhuren van een huurwoning. Omdat het lastig is om de schade te bepalen die een verhuurder in zo’n geval lijdt, wordt er steeds vaker voor gekozen een boete te vorderen. Het blijkt dat rechters hierin meegaan, waardoor huurders worden veroordeeld tot betaling van een boete van soms wel tienduizenden euro’s hoog.

Maar wat nou als geen contactuele boete is overeengekomen? Een verhuurder kan er dan voor kiezen de door de wanprestatie daadwerkelijk geleden schade van de huurder te vorderen.

Onlangs, op 1 november 2013, is door de kantonrechter te Rotterdam een uitspraak gedaan over door de verhuurder gevorderde schade in de vorm van huurderving in een situatie waarin de huurder al sinds 2007 niet meer zijn hoofdverblijf had in de woning. De verhuurder wilde in die zaak niet alleen een einde laten maken aan de huurovereenkomst, maar vorderde ook een compensatie voor de misgelopen huur die zij wel had ontvangen als de woning in 2007 voor de maximale huurprijs (op basis van het woningwaarderingsstelsel) aan een andere huurder was verhuurd.

De rechter ging hierin mee, ondanks dat er geen bepaling in de algemene huurvoorwaarden was opgenomen met betrekking tot de verplichting het hoofdverblijf in het gehuurde te hebben en te houden. De rechter oordeelde dat voldoende was komen vast te staan dat de huurder sinds 2007 niet meer in het gehuurde verbleef en dat hij samen met zijn echtgenote was teruggekeerd naar zijn land van herkomst waar hij ten minste een groot deel van het jaar verbleef. Daardoor had hij een onrechtmatige situatie laten ontstaan en laten voortduren. Bovendien had hij na zijn vertrek de woning aan zijn zoons in gebruik gegeven, terwijl hij wist of kon weten dat de verhuurder, in het kader van de woningdistributie in de sociale huursector, groot belang had bij het weer ter beschikking krijgen van deze schaarse zeskamerwoning waarnaar grote vraag bestaat. De rechter oordeelde dat het niet meer hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde onder deze omstandigheden onrechtmatig is. Op grond van het goed huurderschap had de huurder de verplichting de huurovereenkomst op te zeggen. Door dat niet te doen is de huurder toerekenbaar tekortgeschoten.

Het gevolg van deze toerekenbare tekortkoming was dat de verhuurder het gehuurde niet al in 2007, maar pas na de ontruiming in 2013 opnieuw kon verhuren. De huurder was aansprakelijk voor de schade die de verhuurder in dit verband had geleden. Die schade bestond uit het verschil tussen het bedrag dat de verhuurder op grond van verhuur van de woning tegen de maximaal redelijke huurprijs had kunnen verkrijgen en het werkelijk van de huurder ontvangen bedrag aan huur, in casu: € 21.241,60. De rechter heeft dit bedrag gematigd met één maand huur, aangezien de gebruikelijke mutatiewerkzaamheden aan een woning ongeveer één maand in beslag nemen. Daarmee kwam de rechter uit op een schadebedrag van € 20.917,69.

Door:
Kim Jaspers -werkzaam bij Huisvestingsadvocaten B.V. (www.huisvestingsadvocaten.nl)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Woonbegeleiding en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s